De zeer recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over Uber‑chauffeurs is
verfrissend nuchter. In een debat dat vaak meteen doorschiet naar grote woorden
(“schijnzelfstandigheid!” versus “vrij ondernemerschap!”), doet het hof iets simpels:
het kijkt naar de concrete feiten.
Voor de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber mee
procedeerden, is de uitkomst helder: zij zijn ondernemers en geen werknemers. Het
hof noemt daarbij factoren die je in de praktijk herkent als de klassieke signalen van
ondernemerschap: eigen investeringen (zoals de auto), vrijheid in werktijden, eigen
strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en het dragen van risico’s
(aansprakelijkheid, arbeidsongeschiktheid).
Belangrijker nog is wat het hof níet doet. Het hof zegt niet: “alle Uber‑chauffeurs zijn
ondernemer” of “alle Uber‑chauffeurs zijn werknemer”. Integendeel: de verschillen
tussen chauffeurs zijn te groot om één collectief oordeel te geven. Het kan dus best
zijn dat er chauffeurs zijn bij wie wél sprake is van een arbeidsovereenkomst — maar
dat moet individueel worden vastgesteld.
Die lijn past bij de boodschap van de Hoge Raad (21 februari 2025): bij de vraag of
iemand juridisch werknemer is, telt geen enkele omstandigheid zwaarder dan een
andere. Ook “ondernemerschap” is in dat verband één van de meewegende
factoren, en het is mogelijk dat werkenden met vergelijkbaar werk toch juridisch
anders uitkomen.
De vakbond FNV is teleurgesteld en onderzoekt vervolgstappen (cassatie en/of
individuele procedures).
De kern: het recht laat zich niet meeslepen door de technologie. Het blijft koel,
feitelijk en precies.
Vindplaats
Gerechtshof Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163.
Hoge Raad (prejudiciële beslissing ex art. 392 Rv) 21 februari 2025,
ECLI:NL:HR:2025:319.