Wanneer werkgever en werknemer een beëindigingsregeling ondertekenen, leggen
zij vast wat voor beide partijen geldt. Vanaf dat moment ontstaat een recht op de
overeengekomen ontslagvergoeding. Dat recht staat los van de vraag of de
werknemer de einddatum van het dienstverband nog haalt. De overeenkomst creëert
een zelfstandige verplichting, die niet vervalt omdat het leven eerder stopt dan
voorzien.
Overlijdt de werknemer vóór de afgesproken einddatum, dan blijft de
vaststellingsovereenkomst in stand. De vergoeding wordt dan onderdeel van de
nalatenschap. Erfgenamen kunnen de betaling opeisen alsof het om elk ander
vermogensrecht gaat. Het overlijden verandert niets aan de juridische status van de
verplichting. Een afspraak die is getekend, blijft gelden: dat is de kern van de
rechtszekerheid die een beëindigingsregeling beoogt te bieden.
Alleen wanneer in de overeenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat de vergoeding vervalt
bij overlijden vóór de einddatum, is het resultaat anders. Zulke bepalingen zijn
zeldzaam en worden in de praktijk vrijwel nooit toegepast. Ontbreekt een dergelijke
clausule, dan blijft de werkgever gewoon gehouden tot betaling. Dat is niet alleen
juridisch zuiver, maar sluit ook aan bij het karakter van de vergoeding: een
afwikkeling van het dienstverband, niet een beloning voor de toekomst.
Een beëindigingsregeling moet duidelijkheid verschaffen, juist in situaties waarin
andere zekerheden wegvallen. Daarom is de hoofdregel eenvoudig te hanteren:
staat de vergoeding in de overeenkomst en ontbreekt een vervalbeding, dan valt
deze in de nalatenschap en blijft zij verschuldigd. De feitelijke einddatum van het
dienstverband verandert daar niets aan. De kracht van de afspraak is bepalend, niet
de kalender.